- Home
- Leaseofferte
- Producten
- Klantenservice
- Actueel
- Over ons
- Contact
Actueel
Fiscaal nieuws

Door nieuwe uitspraken van belastingrechters komt er steeds meer duidelijkheid over de regeling op grond waarvan sommige bestelauto’s zijn uitgezonderd van het vaste bijtellingspercentage. Het gaat daarbij om bestelauto’s die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend zijn geschikt voor goederenvervoer.
Bij het tot stand komen van deze uitzondering is met name gedacht aan bestelauto’s met slechts één stoel. In mei 2009 besliste de Hoge Raad al dat een grote bestelauto van een bloemist, voorzien van specifieke inrichting en met meerdere zitplaatsen, in aanmerking kwam voor deze uitzondering. Ook is er een uitspraak over een grote bestelauto (verlengd en verhoogd, zodat deze niet op normale parkeerplaatsen en in parkeergarages past) van een vloerbedekkinglegger. Ook in die situatie gold het vaste bijtellingspercentage niet, ook al had de auto twee zitplaatsen.
Inmiddels begint er ook jurisprudentie te komen over kleinere bestelauto’s. Er loopt nog een verwijzingszaak over de auto van een stukadoor en recent heeft Gerechtshof Amsterdam zich uitgesproken over een Renault Kangoo met twee zitplaatsen. Deze viel ook onder de uitzonderingsregeling, omdat de auto als gevolg van het gebruik voor schilders- en schuurwerkzaamheden “erg vies is en stinkt” en omdat de auto in de laadruimte is voorzien van een kunststof bak die alleen door een garagebedrijf verwijderd kan worden. Het Gerechtshof was in deze zaak sowieso erg soepel: Het Hof overweegt dat ook als de auto niet onder de uitzondering zou vallen, er toch geen ruimte was voor bijtelling omdat belanghebbende overtuigend heeft aangetoond dat hij niet privé met de auto heeft gereden. Deze ondernemer had aangevoerd dat hij in privé over twee auto’s beschikt en had over de periode ná het boekenonderzoek een sluitende kilometeradministratie van de Renault Kangoo bijgehouden.
Intussen ontstaat uit de rechtspraak het beeld dat de uitzondering voor specifieke bestelauto’s ruimer toepasbaar is dan alleen voor grote bestelauto’s of bestelauto’s met slechts één stoel. Wel is dan vereist dat de tweede stoel noodzakelijk is voor een bijrijder voor hulp bij laden en lossen of dat de bestelauto is voorzien van specifieke inrichting c.q. wordt gebruikt voor specifieke doeleinden.
Voor taxibedrijven geldt onder voorwaarden een BPM-teruggaaf. Minister De Jager van Financiën heeft kamervragen beantwoord over de reikwijdte daarvan. Gevraagd werd naar de mogelijkheid om ook trouwvervoer met limousines ook onder deze vrijstelling te brengen.
Belangrijke voorwaarde voor de BPM-teruggaaf is dat het taxivervoer jaarlijks minimaal 90% betreft. De vraag betrof onder meer de situatie dat sommige zogenaamde stretchlimousineverhuurders er tegenaan lopen dat zij – in verband met de hantering van de 90% regeling – geen BPM kunnen terugvorderen, omdat trouwvervoer en promotionele kilometers tot de 10% gerekend worden. Aan de minister werd gevraagd of hij de mening deelde dat dit niets te maken heeft met de oorspronkelijke bedoeling van de 10%-regeling: het voorkomen van het rijden van te veel privékilometers met een taxi?
De minister deelt deze mening niet. Hij antwoordt dat het uitgangspunt bij de teruggaaf van BPM en de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting het openbare karakter van het vervoer is. Deze regelingen gelden daarom niet voor personenauto’s die meer dan bijkomstig worden gebruikt voor ander vervoer. Beoogd wordt om deze fiscale faciliteiten uitsluitend te verlenen voor personenauto’s die geheel of nagenoeg geheel voor openbaar vervoer of taxivervoer worden ingezet. Daarvan is geen sprake bij trouwvervoer, waarbij feitelijk een auto met bestuurder wordt gehuurd. Voor dit vervoer geldt, anders dan voor openbaar vervoer en taxivervoer, geen vergunningsplicht ingevolge de Wet personenvervoer 2000. De fiscale regelingen sluiten hierbij aan.
Trouwvervoer kan worden verricht door zowel vervoerders met als zonder een vergunning ingevolge de Wet personenvervoer 2000. Als voor een taxi teruggaaf van BPM en vrijstelling van motorrijtuigenbelasting is verleend, telt eventueel trouwvervoer met die taxi niet mee voor de 90% taxivervoer. Dat geldt ook voor eventuele promotionele kilometers. Het maakt daarbij geen verschil of al dan niet sprake is van een stretchlimousine. Wanneer voor zo’n personenauto het overige vervoer, zoals privéritten, trouwvervoer of promotionele ritten, in één of meer van de eerste drie jaren na de teruggaaf meer blijkt te bedragen dan 10%, wordt het teruggegeven BPM-bedrag per jaar voor telkens een derde deel weer als belasting verschuldigd. Ook de motorrijtuigenbelasting waarvan over de desbetreffende periode vrijstelling is verleend wordt dan alsnog verschuldigd.
De Tweede Kamer legt de parlementaire behandeling van de Wet Kilometerprijs stil. Het onderwerp is op 4 maart 2010 door de Tweede Kamer controversieel verklaard.
Een niet onaanzienlijke minderheid van de Tweede Kamer is tegen invoering van de kilometerprijs. Dat is voor de andere partijen reden om in te stemmen met het benoemen van dit onderwerp als "controversieel onderwerp". Ondanks kritische geluiden van de kant van bijvoorbeeld De Telegraaf en de ANWB heeft invoering van de kilometerprijs naast de meerderheid van de Tweede Kamerfracties ook nog steeds steun van belangrijke organisaties als de werkgeversorganisaties en de autosector, omdat de kilometerprijs leidt tot positieve gevolgen voor het milieu en de doorstroming en daarnaast leidt tot een systeem waarbij er eerlijker heffing plaatsvindt, namelijk op basis van het gebruik van de auto in plaats van de aanschaf van de auto. Critici wijzen op de kosten en mogelijke storingsgevoeligheid van het systeem en op privacy-aspecten. De invoering van de kilometerprijs wordt naar verwachting dan ook een belangrijk onderwerp tijdens de aanstaande verkiezingen.
Minister van Financiën Jan Kees de Jager voert met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 een extra investeringsaftrek op aanschaf van elektrische auto's in door deze onder de milieu-investeringsaftrek (MIA) te brengen.
De Jager zegt in een persbericht van zijn Ministerie: “Dit besluit past in het streven om elektrisch rijden te stimuleren. Nederland moet hierbij internationaal vooroplopen. Door de extra fiscale tegemoetkoming voor elektrische auto’s wordt het voor bedrijven aantrekkelijker om te investeren. In 2010 zullen naar schatting al meer dan duizend auto’s worden aangeschaft en ik heb hoge verwachtingen voor de toekomst”.
De exacte hoogte van dit aftrekpercentage moet nog nader blijken uit de nog te publiceren wijziging van deze regeling, maar de kosten van de maatregelen voor de Rijksbegroting worden voor 2010 geraamd op EUR 2,5 miljoen. Dit bedrag gaat van het totale voor MIA beschikbare bedrag af.
Bij de Rechtbank Breda loopt een procedure over de Europeesrechtelijke houdbaarheid van de in 2007 gewijzigde BPM-wetgeving. In die zaak zijn nu vragen voorgelegd aan het Europese Hof van Justitie. Het gaat daarbij om de vraag of de huidige Nederlandse regeling (die voorziet in volledige heffing van BPM bij aanvang van het Nederlandse weggebruik, gevolgd door een BPM-teruggaaf bij het einde van het Nederlandse weggebruik) wel in overeenstemming is met het EG-Verdrag.
Concreet gaat het om een Duitse leasemaatschappij die een auto least aan een B.V. die gevestigd is in Nederland. De leasemaatschappij heeft de volgens de wet verschuldigde BPM voldaan en bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte.
Heel belangrijk in deze zaak is dat het tussen partijen vaststaat “dat de auto niet is bestemd voor duurzaam gebruik in Nederland”. Rechtbank Breda oordeelde namelijk op 2 september vorig jaar al over deze nieuwe BPM-wetgeving in een situatie waarin het wel ging om duurzaam gebruik. De Rechtbank kwam toen tot de conclusie dat de huidige wetgeving waarbij bij aanvang van het weggebruik volledige BPM-heffing plaatsvindt, gevolgd door teruggaaf bij latere beëindiging van het Nederlandse weggebruik, wel in overeenstemming is het met Europese verdrag. Voor niet-duurzaam gebruik (blijkens eerdere uitlatingen van de wetgever is daarvan sprake bij een duur van maximaal drie jaar) is de Europeesrechtelijke houdbaarheid van de nieuwe regels echter een stuk minder duidelijk.
De rechtbank acht de omstandigheid dat buitenlandse verhuurders van auto's ook bij tijdelijke verhuur aan een inwoner van Nederland direct het volledige bedrag aan BPM verschuldigd worden “onmiskenbaar onaantrekkelijk voor deze verhuurders zodat sprake is van een belemmering van het vrij verkeer van diensten”. De rechtbank acht het verder twijfelachtig of de rechtvaardiging voor het invoeren van de huidige regeling, het gelijk behandelen van in Nederland gevestigde autoverhuurbedrijven, een voldoende rechtvaardigingsgrond is voor deze belemmering. Nu dit ook niet valt uit te sluiten, stelt de rechtbank zogenaamde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Pas als het oordeel van dat Europese gerechtshof is verkregen, zal de Nederlandse rechter de procedure voortzetten.
De kans dat de Europese rechters de nieuwe regeling níet EU-proof zullen vinden, is overigens vrij groot. Eerder oordeelden zij al in de spraakmakende zaak “Van de Coevering” dat de Europese regels zich verzetten tegen een heffing bij de aanvang van het gebruik van de auto als daarbij geen rekening wordt gehouden “met de duur van het gebruik van dat wegennet en zonder dat de betrokkene aanspraak kan maken op vrijstelling of teruggaaf, wanneer de auto niet is bestemd voor duurzaam gebruik in eerstgenoemde lidstaat en daar ook niet feitelijk duurzaam wordt gebruikt.” Ook in de zogenaamde “Ilhan-zaak” uit 2008 oordeelde het Hof dat het Europese recht zich verzet
tegen een regeling “ krachtens welke een in een lidstaat woonachtige of gevestigde persoon die een in een andere lidstaat geregistreerde en gehuurde auto hoofdzakelijk in eerstgenoemde lidstaat gebruikt, verplicht is om ter zake van de aanvang van het gebruik met dit voertuig van de weg van eerstbedoelde lidstaat een belasting te betalen waarvan het bedrag wordt berekend zonder rekening te houden met de duur van de huurovereenkomst van het betrokken voertuig of met het gebruik met dit voertuig van voornoemd wegennet”.
In de media zijn naar aanleiding van deze door de Rechtbank Breda gestelde prejudiciële vragen reeds berichten verschenen waarin geconcludeerd wordt dat dit mogelijk het einde betekent van de teruggaaf bij export. Dat lijkt voorlopig echter een veel te voorbarige conclusie. Waarschijnlijker lijkt het dat naast de teruggaaf bij export een nieuwe regeling ingevoerd zal moeten worden voor kortdurend binnenlands weggebruik met een auto met buitenlands kenteken, waarbij dan tijdsevenredig BPM wordt geheven.
Beantwoording van de vragen door het Europese Hof van Justitie zal even op zich laten wachten. Tot die tijd is de procedure bij de Rechtbank Breda geschorst. Wij houden u van het verdere verloop op de hoogte.
Opnieuw is geprocedeerd over de vraag of de BPM zoals die in Nederland wordt geheven, binnen Europa wel toegestaan is en of dit geen verboden importheffing is. De Hoge Raad heeft zich daar medio februari 2010 over uitgesproken en geoordeeld dat er sprake is van een binnenlandse belasting, zodat daarop geen Europese harmonisatie van toepassing is.
De BPM blijft in Europees verband een belasting die aan discussie onderhevig is. Bij eerste aanblik is dat ook niet erg verwonderlijk, gezien de grote verschillen tussen de lidstaten. Zo wordt slechts in een stuk of zeven lidstaten een registratiebelasting geheven van een omvang zoals in Nederland bij de BPM het geval is. Inmiddels hebben ook de Europese rechters al geoordeeld dat de heffing van BPM als zodanig toegestaan is en niet in strijd is met het EG Verdrag. De belastingheffing op motorvoertuigen is op het niveau van de Europese Unie niet geharmoniseerd, zodat de lidstaten vrij zijn hun fiscale bevoegdheden dienaangaande uit te oefenen. Voorwaarde is wel dat daarbij geen strijdigheid ontstaat met het Europese vrije verkeer van goederen, diensten of kapitaal. Op grond van die laatste voorwaarde zijn de afgelopen jaren al de nodige aanpassingen in de BPM doorgevoerd. Te denken valt aan de heffing bij invoer, die op dit moment in principe plaatsvindt op basis van een waardering van de individuele auto, aan de invoering van een teruggaafmogelijkheid bij export en aan de aanpassing van de BPM-afschrijvingstabel per 2010. Een interessante vraag waarover nog een aantal procedures loopt, is de vraag of de heffing van BPM bij tijdelijk binnenlands gebruik van buitenlands gekentekende auto’s door Nederlandse inwoners al dan niet strijdig is met het recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven. Het gaat dan bijvoorbeeld om tijdelijk van buitenlandse familieleden geleende buitenlandse auto’s voor een verder geheel binnen Nederland plaatshebbende autorit.
In het nieuwe arrest van de Hoge Raad gaat het echter niet om de verdragsvrijheden met betrekking tot reizen en verblijven, goederen, diensten of kapitaal, maar om de vraag of er sprake is van een verboden invoerrecht. De Hoge Raad komt echter, in lijn met eerdere uitspraken van het Europese Hof van Justitie, tot het oordeel dat er sprake is van een binnenlandse belasting. Een belangrijke uitspraak van het Europese Hof van Justitie in dit verband is de zaak Outokumpu Oy van alweer een aantal jaren geleden. In dat arrest ging het om een Finse heffing op elektriciteit. Het Hof oordeelde dat er sprake is een binnenlands heffing waarop het verbod op “in- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking” niet van toepassing is, als zij binnenlandse en ingevoerde producten in hetzelfde stadium van verhandeling belast en als daarbij het belastbare feit voor beide categorieën van producten hetzelfde is. Ook op basis hiervan dient de Nederlandse BPM als een binnenlandse belasting aangemerkt te worden.
Mede in verband met de discussie over de kilometerprijs (waarvan de Tweede Kamerbehandeling in verband met de val van het Kabinet Balkenende-IV waarschijnlijk wordt uitgesteld), hebben Tweede Kamerleden vragen gesteld over de afbouw van de BPM in relatie tot de verhoging van de MRB.
De vraag die gesteld werd, was of de staatssecretaris de mening deelde dat deze omzetting onrechtvaardig is voor autobezitters die de afgelopen paar jaar een nieuwe auto hebben gekocht en of de staatssecretaris bereid is om aanpassingsvoorstellen te doen.
Volgens de staatssecretaris zijn de voorziene verhogingen van de MRB een gevolg van de stapsgewijze verlaging van de BPM, een stapsgewijze verlaging die noodzakelijk is om schokeffecten op de automarkt te voorkomen. Destijds is volgens hem zeer zorgvuldig gekeken naar de wijze waarop de overgang van tijdstipbelasting (BPM) naar kilometerbeprijzing te vergemakkelijken is en de effecten tot een minimum te beperken zijn. Deze afweging heeft in nauw overleg met de maatschappelijke organisaties plaatsgevonden. De uiteindelijk gekozen oplossingsrichting is om (een deel van) de BPM geleidelijk naar de MRB te verschuiven. Bij de omzetting van een tijdvakbelasting (mrb) naar een kilometerheffing ontstaan niet of nauwelijks schokeffecten op de automarkt.
De eerste stap van de afbouw van de BPM is gezet in 2008, in de jaren 2009 en 2010 zijn de volgende twee stappen gezet (telkens 5%). De budgettaire derving als gevolg van die afbouw is opgevangen door een verhoging van de MRB. De volgende stappen van deze afbouw liggen inmiddels vast in wetgeving, namelijk de stappen in de jaren tot en met 2013 (5% tot en met 2012, 12,5% in 2013).
De wijze van afbouw van de BPM, ook wel vluchtheuvel genoemd, hoeft volgens de staatssecretaris overigens niet onvoordelig uit te pakken voor autobezitters die de afgelopen paar jaar een nieuwe of een andere (gebruikte) auto hebben gekocht. In eerste instantie ondervindt elke autobezitter weliswaar de last van een hogere MRB, maar op enig moment zullen deze mensen opnieuw een andere auto kopen en dan voordeel hebben van de inmiddels deels afgebouwde BPM. De verlaagde BPM zorgt immers voor een daling van de aanschafprijs voor nieuwe auto’s, een daling die doorwerkt naar de aanschafprijzen voor gebruikte auto’s.
Op dezelfde dag, 23 februari 2010, verscheen ook het bericht van het CBS, waarin het CBS stelt dat in januari 2010 de prijzen van nieuwe auto’s met 1% zijn gestegen ten opzichte van december 2010, welke stijging voor de helft te verklaren is door BPM-wijzigingen. De reden daarvoor moet echter niet gezocht worden in bovengenoemde omzetting van BPM in MRB, maar in de gewijzigde manier van heffing van BPM, die vanaf 2010 voor een deel ook gebaseerd is op de CO2-uitstoot van de auto.
Eigen bijdragen die de werknemer aan de werkgever betaalt voor privégebruik van de auto van de zaak zijn aftrekbaar van de bijtelling. Soms is echter de vraag of er wel sprake is van een bijdrage voor privégebruik.
Bij de rechter speelde recent een zaak waarbij een directeur via zijn eigen B.V. een auto leaste met een catalogusprijs van rond de 48.000 euro en gedurende twee jaren jaarlijks bijna 10.000 euro aan eigen bijdragen betaalde aan de B.V. Uit een strafrechtelijk boekenonderzoek door de FIOD bleek dat er sprake was van auto’s waarbij gedurende een korte looptijd maandelijks een hoge leasetermijn werd betaald. Die leasetermijnen waren grotendeels bedoeld om zeer snel op de auto af te schrijven, waarna de werknemer de auto kon overnemen tegen de lage gecalculeerde restwaarde. Deze auto werd dan ook na 28 maanden overgenomen voor bijna € 5.000 terwijl de handelswaarde rond de € 20.000 lag. De bedenker van deze methode gaf zelf in dit onderzoek aan dat “de werknemer al die tijd betaald heeft om die restwaarde van de auto te laten zakken. Hij heeft eigenlijk de auto al voor een groot deel betaald”. Het wekt dan ook geen verbazing dat de rechter van oordeel is dat de vergoeding die deze berijder aan de B.V. betaalde niet kan worden aangemerkt als bijdrage “voor privégebruik”.
Bovenstaande casus was wel een heel bijzondere. In zijn algemeenheid geldt echter wel dat het van groot belang is om goed vast te leggen dat de door de werknemer betaalde bijdrage wordt ingehouden “voor privégebruik”. Bijvoorbeeld bij het in de eigen bijdrage verwerken van de inhouding voor gedeclareerde brandstofkosten voor vakantieritten of het in de eigen bijdrage meenemen van een vergoeding van een leasenormoverschrijding door de werknemer.
Bij privégebruik van een auto van de zaak dient de werkgever voor de BTW jaarlijks een correctie op de afgetrokken BTW te maken. Er lopen op dit moment procedures over de Europeesrechtelijke houdbaarheid van de Nederlandse regeling daarvoor. In die procedures is nu een belangrijke stap gezet.
Op 28 januari 2010 heeft de advocaat-generaal van het Hof van Justitie zijn zogenaamde “conclusie” genomen. Dit is te zien als een zwaarwegend advies aan de deze Europese rechters. In veel gevallen wordt dat advies ook overgenomen.
De zogenaamde BUA-regeling die in Nederland voorziet in correctie van de afgetrokken BTW. Er geldt een jaarlijkse correctie van 12% van het bijtellingspercentage zoals dat voor de loonbelasting geldt. Deze dient in de aangifte over het laatste tijdvak van het jaar te worden verwerkt. De vraag is of deze Nederlandse regeling al dan niet strijdig is met het EU-recht.
De BUA-correctie voor de auto van de zaak is volgens de advocaat-generaal echter in overeenstemming met de Europese regels voor de BTW-heffing. Naast de auto geldt de BUA-correctie ook voor sommige andere kostensoorten. Voor het gelegenheid geven tot privévervoer, verstrekken van spijzen en dranken en huisvesting acht de advocaat-generaal de Nederlandse regels juist. Voor het geven van gelegenheid tot ontspanning en het verstrekken van relatiegeschenken is dat in zijn visie niet het geval. Het oordeel is nu aan de Europese rechters die later dit jaar hun uitspraak zullen doen.
Veel werkgevers hebben de afgelopen twee jaren bezwaar gemaakt tegen hun aangifte BTW waarin zij deze correctie hadden verwerkt. Ook voor de aangifte over het jaar 2009 is het advies nog steeds om zo’n bezwaar in te dienen. Uiteindelijk zijn het immers de Europese rechters die oordelen over deze bepalingen. Of de conclusie van de advocaat-generaal gevolgd zal worden, moet nog blijken. Tot die tijd is bezwaar van belang om daarmee geen rechten op teruggaaf te verspelen als de rechters de BUA-correctie niet in overeenstemming met het EU-recht zouden vinden.

De eerste Land Rover verscheen ruim 60 jaar geleden en dit model is in de vorm van de Defender nog
Wilt u persoonlijk contact?
Vul uw gegevens in en wij bellen u zo spoedig mogelijk!